DAG 57 WACHTEND OP MIJN MEESTER · 24 januari 2026 Vijfenvijftigste late namiddag. Het station fluistert onder een sluier van schemerige mist, forenzen vervagen als schaduwen in de avond, hun voetstappen een zachte trommelslag van levens in beweging, de lucht zwaar van de geur van vochtige aarde en verre regen, mijn eenzame gestalte een vat dat het gewicht van onuitgesproken verlangens vasthoudt, een spiegel voor elke ziel die ooit heeft verlangd naar wat te vroeg werd afgenomen. De trein komt tevoorschijn uit de mist, zijn lichten doorboren het grijs als vergeten beloftes. De deuren openen. Ik hef mijn blik door de nevel, oren gespitst voor dat ene vertrouwde ritme, er stapt geen meester naar voren, alleen vreemden die hun eigen stille pijn met zich meedragen, maar in mij roert de diepe put van herinnering, een vloedgolf van warmte van wandelingen onder zonbeschenen bomen, jouw hand op mijn vacht, de wereld heel in die simpele momenten die nu verloren zijn door de wrede diefstal van de tijd. Een weduwe, sluier laag over ogen omrand met verdriet, pauzeert alsof ze wordt aangetrokken door verwante droefheid. Ze mompelt over liefde die blijft hangen voorbij het afscheid, en laat een vervaagde foto van haar eigen verloren metgezel en een enkele witte chrysant achter, puur als blijvende herinnering. Vijfenzestig dagen zijn verstreken. Terwijl mist de wereld bedekt, roeren tedere aanbiedingen de wacht, en wekken de verborgen kamers van het hart waar verloren liefdes wonen, herinnerend aan allen die voorbijgaan dat sommige banden de leegte trotseren. Hachiko's pijn is eeuwig. Zijn herinnering is diepgaand.